afwisselend

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·wis·se·lend
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen afwisselend afwisselender afwisselendst
verbogen afwisselende afwisselendere afwisselendste
partitief afwisselends afwisselenders -

Bijvoeglijk naamwoord

afwisselend

  1. elkaar vervangend, nu eens hier dan dan weer daar
    • De afwisselende temperaturen deden op den duur scheurtjes ontstaan in het asfalt. 
    • De wedstrijden worden afwisselend in Europa en in Amerika gespeeld. 
Vertalingen

Bijwoord

afwisselend

  1. op afwisselende wijze
    • Hij heeft afwisselend les in Spaans en in Latijn. 

Werkwoord

vervoeging van
afwisselen

afwisselend

  1. onvoltooid deelwoord van afwisselen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.