afwisselend

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·wis·se·lend
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen afwisselend afwisselender afwisselendst
verbogen afwisselende afwisselendere afwisselendste
partitief afwisselends afwisselenders -

Bijvoeglijk naamwoord

afwisselend

  1. elkaar vervangend, nu eens hier dan dan weer daar
    De afwisselende temperaturen deden op den duur scheurtjes ontstaan in het asfalt.
    De wedstrijden worden afwisselend in Europa en in Amerika gespeeld.
Vertalingen

Bijwoord

afwisselend

  1. op afwisselende wijze
    Hij heeft afwisselend les in Spaans en in Latijn.

Werkwoord

vervoeging van
afwisselen

afwisselend

  1. onvoltooid deelwoord van afwisselen