Naar inhoud springen

afwezigheid

Uit WikiWoordenboek
  • af·we·zig·heid
enkelvoud meervoud
naamwoord afwezigheid afwezigheden
verkleinwoord - -

deafwezigheidv

  1. het afwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats
     Het was nog te vroeg om te weten of ik blind en/of dwaas was geweest om zo lang van huis te zijn. De tijd zou uitwijzen wat de gevolgen van mijn lange afwezigheid zouden zijn op mijn kinderen.[2]
     Ik voelde Quicks afwezigheid in de gangen, wetende dat ik nooit meer naar haar kamer zou worden geroepen voor de lunch, en dat het restaurant naast het Skelton nooit meer een koude fles van hun beste sancerre zou brengen.[3]
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[4]
  1. afwezigheid op website: Etymologiebank.nl
  2. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Jessie Burton (vert.Marja Borg)
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be