afvoer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·voer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afvoer afvoeren
verkleinwoord afvoertje afvoertjes

Zelfstandig naamwoord

afvoer m [2]

  1. vervoer naar elders
    • De afvoer van goederen was belemmerd door de opgebroken weg. 
  2. (techniek) leiding waardoor vloeistof, gas of stroom afgevoerd wordt
    • De afvoer van de wasbak was verstopt. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
afvoeren

afvoer

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afvoeren
    • ... dat ik afvoer. 
vervoeging van
afvaren

afvoer

  1. (in een bijzin) enkelvoud verleden tijd van afvaren
    • ... dat ik afvoer. 
    • ... dat jij afvoer. 
    • ... dat hij, zij, het afvoer. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen