Naar inhoud springen

afvoer

Uit WikiWoordenboek
  • af·voer
enkelvoud meervoud
naamwoord afvoer afvoeren
verkleinwoord afvoertje afvoertjes

deafvoerm

  1. vervoer naar elders
    • De afvoer van goederen was belemmerd door de opgebroken weg. 
  2. (techniek) leiding waardoor vloeistof, gas of stroom afgevoerd wordt
    • De afvoer van de wasbak was verstopt. 
     Toen hij door de werkkamer liep, dacht hij er zelfs aan om wat water in de gootstenen te laten lopen zodat de afvoer niet verstopt zou raken.[3]
     Rafael was een Argentijn die weigerde Nederlands te spreken, 'omdat het klonk als een verstopte afvoer', en het leven was te kort om aan zoiets mensonterends en onesthetisch bij te dragen - al was het weleens voorgekomen dat er iemand aan hun tafel was komen zitten die hem in het Nederlands had aangesproken en dan kwam er taal uit van het schitterendste soort, want dan zei hij dingen als 'met uw welnemen' en zelfs die gast, die hem verder helemaal niet kende, zag je denken: wat doet deze welopgevoede jongen op zo'n armoedige plek in het jaar 2016 des Heren? Zijn familie leek een soort broedplaats voor onberispelijke (in professionele zin) topambtenaren.[4]
vervoeging van
afvoeren

afvoer

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afvoeren
    • ... dat ik afvoer. 
vervoeging van
afvaren

afvoer

  1. (in een bijzin) enkelvoud verleden tijd van afvaren
    • ... dat ik afvoer. 
    • ... dat jij afvoer. 
    • ... dat hij, zij, het afvoer. 
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[5]