Naar inhoud springen

afvaren

Uit WikiWoordenboek
  • af·va·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afvaren
voer af
afgevaren
klasse 6 volledig

afvaren [1]

  1. (scheepvaart) ergatief wegvaren (van de wal)
    ▸ Wanneer we in Bombay arriveerden, zou Fabian terugkeren naar Delhi en zouden wij afvaren.[2]
  2. (scheepvaart) ergatief een heel traject varend voltooien
    Om nog meer zekerheid te hebben zijn we met een boot ook het kanaal afgevaren [3]
94 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[4]
  1. ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. ↑
    Victoria Holt
    “Een waaier van geluk” (1988), Saga, ISBN 9788726484939
  3. ↑ HLN 2021
  4. ↑ Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be