afkeuren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·keu·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afkeuren
keurde af
afgekeurd
zwak -d volledig

Werkwoord

afkeuren

  1. niet geschikt verklaren
    De zieke man werd door de bedrijfsarts afgekeurd voor zijn werk.
  2. iets niet goed vinden
    Ik moet dit gedrag van jou afkeuren, ik kan het niet goedkeuren.
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen