afhankelijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·han·ke·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen afhankelijk afhankelijker afhankelijkst
verbogen afhankelijke afhankelijkere afhankelijkste
partitief afhankelijks afhankelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

afhankelijk

  1. genoodzaakt op anderen te vertrouwen
    • Kinderen zijn afhankelijk van hun ouders en later zijn de ouders afhankelijk van hun kinderen. 
  2. (wiskunde) medeveranderend met een andere grootheid
    • De versnelling van een voorwerp is afhankelijk van de massa van dat voorwerp en de kracht die op het voorwerp werkt. 
Vaste voorzetsels
  • afhankelijk zijn van
Verwante begrippen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie