abhängen
Uiterlijk
- ab·hän·gen
- samenstelling van ab bw "af" en hängen ww "hangen"
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| abhängen |
abhing |
abgehangen |
| volledig | ||
abhängen
- onovergankelijk afhangen
- onovergankelijk (jongerentaal) nietsdoen, rondhangen
- overgankelijk afschudden (van een achtervolger)
- [1] abhängen von (met datief)afhangen van