autoriteit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • au·to·ri·teit
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans of Latijn, in de betekenis van ‘gezag’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • afgeleid van het Franse autorité (met het achtervoegsel -iteit) [2] [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord autoriteit autoriteiten
verkleinwoord autoriteitje autoriteitjes

Zelfstandig naamwoord

autoriteit v

  1. de overheid, het bevoegd gezag
    • Van de autoriteiten mag er niet meer in de cafés gerookt worden. 
  2. een persoon met veel kennis op een bepaald gebied
    • Hij is een autoriteit op het gebied van wiskunde. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen