besmeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Besmeren.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·sme·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
besmeren
besmeerde
besmeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

besmeren

  1. overgankelijk een zachte massa op iets aanbrengen
    • Heb je die boterhammen al besmeerd? 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.