aanleg

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·leg
enkelvoud meervoud
naamwoord aanleg -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

aanleg m

  1. het aanleggen
    De aanleg van het nieuwe vliegveld liep grote vertraging op
  2. plantsoen
  3. geneigdheid, talent
    Hij had een grote muzikale aanleg.
  4. instantie
    De zaak werd in eerste aanleg door de kantonrechter behandeld.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
aanleggen

aanleg

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanleggen
    ... dat ik aanleg.