Naar inhoud springen

aanleg

Uit WikiWoordenboek
  • aan·leg
enkelvoud meervoud
naamwoord aanleg -
verkleinwoord - -

deaanlegm

  1. het aanleggen
     Met de aanleg van spoorwegen nam die trend een nog hogere vlucht.[2]
     Terlouw werd in 1971 gekozen in de Tweede Kamer. Hij had toen al als D66-fractieleider in Utrecht naam gemaakt met kritiek op de bouw van Hoog Catharijne en de aanleg van autowegen door de binnenstad.[3]
  2. plantsoen
  3. geneigdheid, talent, begaafdheid
    • Hij had een grote muzikale aanleg. 
    • Homoseksualiteit werd lang als een keuze ervaren, zowel door voor- als tegenstanders. Dick Swaab ziet het als een onbedwingbare aanleg in de hersenen. Voor echte vrije wil is eigenlijk niet veel plaats en waarschijnlijk bestaat die dan ook niet volgens Swaab, evenmin als een geest of ziel die onafhankelijk van de hersenen kan functioneren.[4] 
  4. instantie
vervoeging van
aanleggen

aanleg

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanleggen
    • ... dat ik aanleg. 
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[5]
  1. aanleg op website: Etymologiebank.nl
  2. “Hoe overleef ik de moderne wereld” (2033), Atlas Contact op Wikipedia, ISBN 9789045045979
  3. Bronlink geraadpleegd op 16 mei 2025 Weblink bron
    Dik Verkuil
    “Het vertrouwen van Jan Terlouw was zijn kracht en zijn zwakte” (16 mei 2025), NOS
  4. Wikipedia
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be