Naar inhoud springen

belendend

Uit WikiWoordenboek
  • be·len·dend
stellend
onverbogen belendend
verbogen belendende
partitief belendends

belendend

  1. (van panden/vertrekken) aangrenzend.
    • Het belendende huis was afgebrand. 
vervoeging van: belenden
verbogen vorm: belendende

belendend

  1. onvoltooid deelwoord van belenden
75 %van de Nederlanders;
61 %van de Vlamingen.[1]
  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be