naburig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·bu·rig
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van nabuur met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen naburig naburiger naburigst
verbogen naburige naburigere naburigste
partitief naburigs naburigers -

Bijvoeglijk naamwoord

naburig

  1. in de buurt ervan gelegen
    • Ook in de naburige staten richtte de orkaan grote schade aan. 
     Het dodental in Zweden is ook veel hoger dan in naburige Scandinavische landen, die allemaal strengere beperkende maatregelen hebben opgelegd. Volgens gegevens van persbureau AFP is het sterftecijfer in Zweden door het coronavirus veel hoger dan in Noorwegen, Denemarken en Finland, die aan het begin van de pandemie veel strengere coronamaatregelen oplegden.[1]
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron “Brein achter omstreden Zweedse coronastrategie geeft fouten toe” (03-06-2020), Tubantia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be