Hendrik
Uiterlijk
- Geluid: Hendrik (hulp, bestand)
- IPA: / ˈhɛndrɪk / (2 lettergrepen)
- (Noord-Nederland): /ˈhɛndrɪk/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /ˈhɛndrɪk/
- Hen·drik
- Germaanse naam, samensteld uit de woorden heem ("woning, huis") en rijk (in namen: "heerser") met een welluidendheids-d.
| enkelvoud | bezitsvorm | meervoud | |
|---|---|---|---|
| naamwoord | Hendrik | Hendriks | Hendrikken |
| verkleinwoord | Hendrikje | Hendrikjes | Hendrikjes |
Hendrik m
- (mannelijke naam) mannelijke voornaam met de betekenis "heer van het huis"
- ▸ De eerste jaren van zijn leven werd hij verzorgd: door zijn ouders, door het klooster waar hij leefde, door de betrekking bij Hendrik van Bergen en diens stipendium voor het verblijf in het Collège Montaigue in Parijs, waar hij met een beurs studeerde.[1]
- ▸ Eerst sloot hij zich aan bij een rijke beschermheer, zijn oom Richard, graaf van Salisbury, maar al snel komt hij in dienst van Hendrik de Jongere (1155-1183), de zoon en co-regent van de Engelse koning Hendrik Plantagenet, die zelf ook een verwoed toernooiganger was.[2]
- spelwoord van het Nederlandse spellingalfabet voor de letter h
- [2] hotel
- [2] spellingalfabet
1. mannelijke voornaam
- Het woord 'Hendrik' staat niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ Jan Bloemendal“Erasmus” (2020), Athenaeum - Polak & Van Gennep
, ISBN 9789025312541 - ↑ Onno van Nijf“Sportgeschiedenis” (2021), Athenaeum - Polak & Van Gennep
, ISBN 9789025312275