voeren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| voeren | voerend |
| voer | gevoerd |
| voering | |
Uitspraak
Woordafbreking
- voe·ren
Woordherkomst en -opbouw
- doen varen cf. Duits: führen
- voer = bont?, cf. Engels: fur
- >voe(de)ren cf. Duits: Futter
- >voe(de)ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| voeren |
voerde |
gevoerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
voeren
- geleiden, ergens heen brengen
- De gijzelaar werd geblinddoekt naar het schavot gevoerd.
- kleding aan de binnenkant van een isolerende laag voorzien
- Deze jas is met bont gevoerd.
- (veeteelt) dieren te eten geven
- Voer dat maar aan de varkens!
- een kind eten in de mond stoppen
- Het duurt uren om Jantje te voeren.
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. geleiden, ergens heen brengen
2. kleding aan de binnenkant van een isolerende laag voorzien
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| varen |
voeren
- meervoud verleden tijd van varen
- Wij voeren.
- Jullie voeren.
- Zij voeren.
- Wij voeren.