opvoeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·voe·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opvoeren
voerde op
opgevoerd
zwak -d volledig

Werkwoord

opvoeren

  1. (overgankelijk) doen toenemen
    De productie daarvan wordt komend jaar opgevoerd tot het dubbele.
  2. (overgankelijk) als argument bijdragen
    De Arctische oscillatie wordt opgevoerd als argument voor de opwarming in het Arctische gebied.
  3. (overgankelijk) op het toneel laten zien
    Daarna werd de Gijsbrecht niet langer jaarlijks opgevoerd.
  4. (overgankelijk) ten einde voederen
    De muizen die ik had werden opgevoerd aan de slangen en daarna schafte ik een nieuwe collectie muizen aan.

Werkwoord

vervoeging van
opvaren

opvoeren

  1. (in een bijzin) meervoud verleden tijd van opvaren
    ...dat wij opvoeren.
    ...dat jullie opvoeren.
    ...dat zij opvoeren.