meevoeren
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- mee·voe·ren
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| meevaren |
meevoeren
- (in een bijzin) meervoud verleden tijd van meevaren
- ...dat wij meevoeren.
- ...dat jullie meevoeren.
- ...dat zij meevoeren.
- ...dat wij meevoeren.