stroom

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
enkelvoud meervoud
naamwoord stroom stromen
verkleinwoord stroompje stroompjes

Zelfstandig naamwoord

de stroom m

  1. rivier, beek
    Bij donker woud en brede stromen
  2. electriciteit
    "We zitten zonder stroom, dat wordt geen accu opladen vandaag"
  3. in bepaalde richting bewegende massa (mensen)
    tegen de stroom in lopen

Vertalingen

Afgeleide begrippen

Verwante begrippen
Aspecten/acties
Persoonlijke instellingen