stroom
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | stroom | stromen |
| verkleinwoord | stroompje | stroompjes |
Zelfstandig naamwoord
stroom m
- rivier, beek.
- Bij donker woud en brede stromen.
- elektriciteit
- We zitten zonder stroom, dat wordt geen accu opladen vandaag.
- in bepaalde richting bewegende massa (mensen).
- tegen de stroom in lopen.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
1.