stroom
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- stroom
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | stroom | stromen |
| verkleinwoord | stroompje | stroompjes |
Zelfstandig naamwoord
stroom m
- rivier, beek
- Bij donker woud en brede stromen.
- (elektrotechniek) elektrische stroom
- We zitten zonder stroom, dat wordt geen accu opladen vandaag.
- in bepaalde richting bewegende massa (mensen)
- Tegen de stroom in lopen.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
- [2] spanning
Vertalingen
1. rivier, beek
2. elektriciteit
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| stromen |
stroom