schieten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Lettergrepen
- schie·ten
Werkwoord
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| schieten /sxitə(n)/ |
schoot /sxot/ |
geschoten /ɣəsxotə(n)/ |
| Klasse 2 | volledig | |
schieten ;
- een kogel (of ander projectiel, bijvoorbeeld een pijl) afvuren met een wapen.
- scoren. (Voetbal)
- zich snel voortbewegen
- Toen de hagel begon neer te komen schoot het gehele gezelschap onder de brug om te schuilen.

