schieten

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Lettergrepen
  • schie·ten

Werkwoord

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
schieten
/sxitə(n)/
schoot
/sxot/
geschoten
/ɣəsxotə(n)/
Klasse 2 volledig

schieten ;

  1. een kogel (of ander projectiel, bijvoorbeeld een pijl) afvuren met een wapen.
  2. scoren. (Voetbal)
  3. zich snel voortbewegen
    Toen de hagel begon neer te komen schoot het gehele gezelschap onder de brug om te schuilen.

Vertalingen
Aspecten/acties
Persoonlijke instellingen