schieten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: schieten (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ˈsχi.tə(n)/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /ˈsxi.tə(n)/
Woordafbreking
- schie·ten
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| schieten /sxitə(n)/ |
schoot /sxot/ |
geschoten /ɣəsxotə(n)/ |
| klasse 2 | volledig | |
Werkwoord
schieten
- (overgankelijk) een projectiel afvuren met een wapen
- (inergatief) (sport) de bal een trap geven (bv in het voetbal) of een slag geven (bv met een hockeystick)
- (ergatief) zich snel voortbewegen
- Toen de hagel begon neer te komen schoot het gehele gezelschap onder de brug om te schuilen.
- (plantkunde), (figuurlijk) snel groeien
Uitdrukkingen en gezegden
- [4]: als paddenstoelen uit de grond schieten
Vertalingen
1. een projectiel afvuren met een wapen
als paddenstoelen uit de grond schieten
|
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Sterk werkwoord klasse 2 in het Nederlands
- Werkwoord in het Nederlands
- Niet-samengesteld werkwoord in het Nederlands
- Overgankelijk werkwoord in het Nederlands
- Inergatief werkwoord in het Nederlands
- Sport in het Nederlands
- Ergatief werkwoord in het Nederlands
- Plantkunde in het Nederlands
- Figuurlijk in het Nederlands