schieten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: schieten (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ˈsχi.tə(n)/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /ˈsxi.tə(n)/
Woordafbreking
- schie·ten
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| schieten /sxitə(n)/ |
schoot /sxot/ |
geschoten /ɣəsxotə(n)/ |
| Klasse 2 | volledig | |
Werkwoord
schieten
- een projectiel afvuren met een wapen.
- (voetbal) de bal een trap geven.
- zich snel voortbewegen.
- Toen de hagel begon neer te komen schoot het gehele gezelschap onder de brug om te schuilen.
Vertalingen
1. een projectiel afvuren met een wapen