schieten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schie·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
schieten
/sxitə(n)/
schoot
/sxot/
geschoten
/ɣəsxotə(n)/
klasse 2 volledig

Werkwoord

schieten

  1. (overgankelijk) een projectiel afvuren met een wapen
  2. (inergatief) (sport) de bal een trap geven (bv in het voetbal) of een slag geven (bv met een hockeystick)
  3. (ergatief) zich snel voortbewegen
    Toen de hagel begon neer te komen schoot het gehele gezelschap onder de brug om te schuilen.
  4. (plantkunde), (figuurlijk) snel groeien
Uitdrukkingen en gezegden
  • [4]: als paddenstoelen uit de grond schieten
Vertalingen