paffen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • paf·fen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
paffen
pafte
gepaft
zwak -t volledig

Werkwoord

paffen

  1. (inergatief) tabak roken
    Ik heb nooit van paffen gehouden.
  2. (inergatief) schieten
    De soldaten in de hinderlaag paften er plotseling op los.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen