rug

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rug
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rug ruggen
verkleinwoord rugje rugjes

Zelfstandig naamwoord

rug m

  1. (anatomie) zijde van de romp tegenover de buik en borst gelegen; bij mensen aan de achterzijde en bij andere dieren aan de bovenzijde gelegen
  2. achterkant
  3. dat gedeelte van een boek waar de bladen bij elkaar komen
  4. rode ~: biljet van 1000 gulden
  5. achterkant van een bankbiljet
  6. (geologie) hoger liggend, lang gerekte landsvorm (ook onder water)
  7. (meteorologie), een langgerekt gebied met hoge luchtdruk
Synoniemen
Verwante begrippen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
  • Achter de rug
Voorbij
  • Achter iemands rug om
Buiten iemands weten om
  • Dat zal mij aan mijn rug roesten!
Dat kan mij niets schelen!
  • De rillingen lopen mij over de rug. / Het loopt mij koud over de rug.
Ik huiver bij de gedachte hieraan.
  • Door zijn rug gaan
Door een ongelukkige beweging letsel aan de ruggengraat oplopen.
  • Een rode rug
1000 gulden
  • Een hoge rug opzetten (van katten)
De rug erg bol maken met de haren recht overeind, als teken van waarschuwing of boosheid"
  • Het geld groeit mij niet op de rug.
Ik heb niet genoeg geld om het zo maar uit te geven.
  • Iemand de rug toekeren
Achting,afkeur voor iemand laten blijken
  • Met de rug tegen de muur staan
Geen uitweg meer hebben
  • Open rug
Afwijking waarbij het ruggenmerg bloot ligt.
  • Ze kunnen mijn rug op!
Dat ben ik niet van plan!
  • Zij verdient het geld op haar rug.
Zij is een prostituee.
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl