rug
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- rug
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | rug | ruggen |
| verkleinwoord | rugje | rugjes |
Zelfstandig naamwoord
rug m
- (anatomie) zijde van de romp tegenover de buik en borst gelegen; bij mensen aan de achterzijde en bij andere dieren aan de bovenzijde gelegen
- achterkant
- dat gedeelte van een boek waar de bladen bij elkaar komen
- rode ~: biljet van 1000 gulden
- achterkant van een bankbiljet
- hoger liggend, lang gerekte landsvorm
Synoniemen
Verwante begrippen
Spreekwoorden
- Achter de rug
- Voorbij
- Achter iemands rug om
- Buiten iemands weten om
- Dat zal mij aan mijn rug roesten!
- Dat kan mij niets schelen!
- De rillingen lopen mij over de rug. / Het loopt mij koud over de rug.
- Ik huiver bij de gedachte hieraan.
- Door zijn rug gaan
- Door een ongelukkige beweging letsel aan de ruggengraat oplopen.
- Een rode rug
- 1000 gulden
- Een hoge rug opzetten (van katten)
- De rug erg bol maken met de haren recht overeind, als teken van waarschuwing of boosheid"
- Het geld groeit mij niet op de rug.
- Ik heb niet genoeg geld om het zo maar uit te geven.
- Iemand de rug toekeren
- Achting,afkeur voor iemand laten blijken
- Met de rug tegen de muur staan
- Geen uitweg meer hebben
- Open rug
- Afwijking waarbij het ruggenmerg bloot ligt.
- Ze kunnen mijn rug op!
- Dat ben ik niet van plan!
- Zij verdient het geld op haar rug.
- Zij is een prostituee.
Vertalingen
1. zijde van de romp tegenover de buik en borst gelegen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.