deken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: deken (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /dekə(n)/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /dekə(n)/
Woordafbreking
- de·ken
| [A] + [B] | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | deken | dekens |
| verkleinwoord | dekentje | dekentjes |
Zelfstandig naamwoord
- een (vaak dik) doek, met de functie om iemand te bedekken en daarmee warm te houden tijdens de slaap
Verwante begrippen
Vertalingen
1. een (vaak dik) doek, met de functie om iemand te bedekken en daarmee warm te houden tijdens de slaap
Zelfstandig naamwoord
[B] deken m
- (advocatuur) voorzitter van de Nederlandse orde van advocaten
- een kerkelijk of academisch ambt