deken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • de·ken
[A] + [B] enkelvoud meervoud
naamwoord deken dekens
verkleinwoord dekentje dekentjes

Zelfstandig naamwoord

[A] deken v/m

  1. een (vaak dik) doek, met de functie om iemand te bedekken en daarmee warm te houden tijdens de slaap
Verwante begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

[B] deken m

  1. (advocatuur) voorzitter van de Nederlandse orde van advocaten
  2. een kerkelijk of academisch ambt
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen