ruggengraat

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rug·gen·graat
enkelvoud meervoud
naamwoord ruggengraat ruggengraten
verkleinwoord (ruggengraatje) (ruggengraatjes)

Zelfstandig naamwoord

ruggengraat m

  1. (anatomie) zuil gevormd door de wervels gelegen in de rug, die de enige steun van het hoofd en de romp uitmaakt en waarin het ruggenmerg zit
Synoniemen
Spreekwoorden
  • Iemand met ruggengraat.
    Iemand die kan standhouden.
  • Een ruggengraat vol slagroom hebben.
    Iemand die geen stand kan houden; iemand die zwicht onder druk van anderen.
Vertalingen