pupil

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Eye scheme mulitlingual-nocircles.svg
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
oog

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pu·pil
enkelvoud meervoud
naamwoord pupil pupillen
verkleinwoord pupilletje pupilletjes

Zelfstandig naamwoord

pupil v/m

  1. (onderwijs) leerling
    Hij liet zijn pupillen niet merken dat hij enigszins van zijn stuk was.
  2. (anatomie) opening in het midden van de iris in het oog
    Zijn pupillen vernauwden zich toen hij werd blootgesteld aan het felle licht.
Vertalingen

Meer informatie


Turks

Woordafbreking
  • pu·pil
enkelvoud meervoud
nominatief   pupil     pupiller  
genitief   pupilin     pupillerin  
datief   pupile     pupillere  
accusatief   pupili     pupilleri  
locatief   pupilde     pupillerde  
ablatief   pupilden     pupillerden  

Zelfstandig naamwoord

pupil

  1. (anatomie) pupil
Synoniemen