iris

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • iris
enkelvoud meervoud
naamwoord iris irissen
verkleinwoord irisje irisjes

Zelfstandig naamwoord

iris v/m

  1. (anatomie) een orgaan in het oog van vele organismen, waaronder de mens, dat als een diafragma werkt en de hoeveelheid tot het oog toegelaten licht regelt
  2. (plantkunde) een plant met een opvallende, vaak blauwe of gele bloem van het geslacht Iris
Synoniemen
Vertalingen


Engels

Zelfstandig naamwoord

iris

  1. (anatomie) regenboogvlies


Frans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  iris     l'iris     iris     les iris  

Zelfstandig naamwoord

iris m

  1. (anatomie) iris, regenboogvlies
Eye scheme mulitlingual-nocircles.svg
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
ojo


Spaans

enkelvoud meervoud
iris irises

Zelfstandig naamwoord

iris m

  1. (anatomie) regenboogvlies
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen