iris
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- iris
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | iris | irissen |
| verkleinwoord | irisje | irisjes |
Zelfstandig naamwoord
- (anatomie) een orgaan in het oog van vele organismen, waaronder de mens, dat als een diafragma werkt en de hoeveelheid tot het oog toegelaten licht regelt
- (plantkunde) een plant met een opvallende, vaak blauwe of gele bloem van het geslacht Iris
Synoniemen
- [1] regenboogvlies
- [2] lis
Vertalingen
1. een orgaan in het oog van vele organismen
2. een plant met een opvallende, vaak blauwe of gele bloem van het geslacht Iris
Engels
Zelfstandig naamwoord
iris
Frans
Uitspraak
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord |
| iris | l'iris | iris | les iris |
Zelfstandig naamwoord
iris m
Spaans
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| iris | irises |
Zelfstandig naamwoord
iris m
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Anatomie in het Nederlands
- Plantkunde in het Nederlands
- Woorden in het Engels
- Zelfstandig naamwoord in het Engels
- Anatomie in het Engels
- Woorden in het Frans
- Zelfstandig naamwoord in het Frans
- Anatomie in het Frans
- Woorden in het Spaans
- Zelfstandig naamwoord in het Spaans
- Anatomie in het Spaans