natuur
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- na·tuur
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | natuur | - |
| verkleinwoord | - | - |
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | natuur | naturen |
| verkleinwoord |
Woordherkomst en -opbouw
- Uit het Latijn (natura), het deelwoord van de toekomende tijd van nasci, hetgeen zoveel betekent als "dat wat geboren zal worden", oftewel "tot leven zal komen".
Zelfstandig naamwoord
natuur v
- de oorspronkelijke, onaangeroerde verschijningsvorm van alles wat zich op, in en rond de Aarde bevindt; derhalve min of meer synoniem aan "schepping" of "wildernis". Dit staat dan tegenover cultuur, technologie, beschaving: hetgeen duidt op alles, wat de mens tot op heden aan die schepping veranderd heeft; oftewel: de door de mens gecreëerde of gewijzigde vormen
- Datgene, wat de mens als natuur ziet, dus ook al is het door hemzelf als zodanig ingericht. Oftewel de oorspronkelijke wildernis en elke natuurgetrouwe nabootsing hiervan. Derhalve ook bijvoorbeeld bossen die, ookal lijken ze op de oorspronkelijke oerbossen, in werkelijkheid zijn aangelegd. Zie ook natuurbescherming, waar gesproken wordt over landschappen
- de natuur, zoals die bestudeerd en beschreven wordt door de natuurwetenschappen zoals de natuurkunde en de biologie, te vergelijken met het begrip heelal, universum of kosmos, meestal beschouwd als gezien vanuit het standpunt van een mens op de Aarde
- de aard van iets of iemand; het karakter of de essentie
Minder gebruikelijk en verouderd zijn betekenissen van natuur die met seksualiteit te maken hebben zoals
- teelvocht; mannelijk zaad en geslachtsorgaan
Vertalingen
überhaupt
De aard van iets of iemand