wezen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- we·zen
Werkwoord
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| wezen |
was waren |
geweest gewezen* |
| klasse 5 | volledig | |
wezen
- (koppelwerkwoord) (hulpwerkwoord) (ergatief) Alternatieve onbepaalde wijs van zijn. Tegenwoordige tijd alleen in de gebiedende wijs: wees(t). De vorm gewezen wordt alleen als bijvoeglijk naamwoord gebruikt.
- Hij zal gezegend wezen.
Afgeleide begrippen
Zelfstandig naamwoord
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | wezen | wezens |
| verkleinwoord | wezentje | wezentjes |
wezen o
- bestaand individu, inzonderlijk een persoon of dier.
- Zij was een wonderbaarlijk wezentje.
- de aard van iets.
- Dat is het wezen van de schilderkunst.
Vertalingen
Zelfstandig naamwoord
wezen mv
- naamwoord meervoud van wees
Categorieën: Woorden in het Nederlands | Sterk werkwoord klasse 5 in het Nederlands | Werkwoord in het Nederlands | Koppelwerkwoord in het Nederlands | Hulpwerkwoord in het Nederlands | Ergatief werkwoord in het Nederlands | Zelfstandig naamwoord in het Nederlands | Zelfstandig-naamwoordsvorm in het Nederlands