wezen

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Woordafbreking
  • we·zen

Werkwoord

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wezen
was
waren
geweest
gewezen*
klasse 5 volledig

wezen

  1. (koppelwerkwoord) (hulpwerkwoord) (ergatief) Alternatieve onbepaalde wijs van zijn. Tegenwoordige tijd alleen in de gebiedende wijs: wees(t). De vorm gewezen wordt alleen als bijvoeglijk naamwoord gebruikt.
    Hij zal gezegend wezen.
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
naamwoord wezen wezens
verkleinwoord wezentje wezentjes

wezen o

  1. bestaand individu, inzonderlijk een persoon of dier.
    Zij was een wonderbaarlijk wezentje.
  2. de aard van iets.
    Dat is het wezen van de schilderkunst.
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

wezen mv

  1. naamwoord meervoud van wees
Persoonlijke instellingen