genegenheid
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: genegenheid (hulp, bestand)
- IPA: /ɣə'neɣənɦɛɪt/
Woordafbreking
- ge·ne·gen·heid
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | genegenheid | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
genegenheid v
- het gesteld zijn op iemand
- Hij koesterde een grote genegenheid voor die rakker van een buurjongen.