genegenheid

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·ne·gen·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord genegenheid -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

genegenheid v

  1. het gesteld zijn op iemand
    Hij koesterde een grote genegenheid voor die rakker van een buurjongen.
Verwante begrippen
Vertalingen