luiden/vervoeging
Uit WikiWoordenboek
| vervoeging van de bedrijvende vorm van luiden | |||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| tegenwoordige tijd | verleden tijd | toekomende tijd | |||||||||
| enkelvoud | meervoud | enkelvoud | meervoud | enkelvoud | meervoud | ||||||
| ik | luid | wij, we | luiden | ik | luidde | wij, we | luidden | ik | zal luiden | wij, we | zullen luiden |
| jij, je, u gij, ge |
luidt |
jullie | luiden | jij, je, u gij, ge |
luidde |
jullie | luidden | jij, je, u gij, ge |
zal, zult luiden zult luiden |
jullie | zullen luiden |
| hij, zij, het | luidt | zij, ze | luiden | hij, zij, het | luidde | zij, ze | luidden | hij, zij, het | zal luiden | zij, ze | zullen luiden |
| onvoltooid deelwoord | voltooide tijd | gebiedende wijs | aanvoegende wijs | ||||||||
| luidend | geluid hebben | luid, luidt | luide | ||||||||
| onpersoonlijke lijdende vorm geluid worden | |||||||||||
| tegenwoordige tijd | verleden tijd | toekomende tijd | |||||||||
| er | wordt geluid | er | werd geluid | er | zal geluid worden | ||||||
| lijdende vorm geluid worden | |||||||||||
| tegenwoordige tijd | verleden tijd | toekomende tijd | |||||||||
| enkelvoud | meervoud | enkelvoud | meervoud | enkelvoud | meervoud | ||||||
| ik | word geluid | wij, we | worden geluid | ik | werd geluid | wij, we | werden geluid | ik | zal geluid worden | wij, we | zullen geluid worden |
| jij, je, U gij, ge |
wordt geluid | jullie | worden geluid | jij, je, U gij, ge |
werd geluid werdt geluid |
jullie | werden geluid | jij, je, U gij, ge |
zal, zult geluid worden zult geluid worden |
jullie | zullen geluid worden |
| hij, zij, het | wordt geluid | zij, ze | worden geluid | hij, zij, het | werd geluid | zij, ze | werden geluid | hij, zij, het | zal geluid worden | zij, ze | zullen geluid worden |
| onvoltooid deelwoord | voltooide tijd | gebiedende wijs | aanvoegende wijs | ||||||||
| geluid wordend | geluid zijn | word geluid | worde geluid | ||||||||