bekrachtigen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·krach·ti·gen
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| bekrachtigen |
bekrachtigde |
bekrachtigd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
bekrachtigen
- (overgankelijk) extra kracht bijzetten
- De man bekrachtigde zijn argumenten door een luide stem op te zetten.
- (overgankelijk) kracht van wet geven, bevestigen
- Daarmee werd die regeling bekrachtigd.