moed

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • moed
enkelvoud meervoud
naamwoord moed -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

moed m

  1. dapperheid, lef, branie.
    De moed zakte in zijn schoenen toen hij die wankele brug zag.
  2. inborst, stemming, gemoed.
    In goede moed ging hij uit fietsen.
  3. vertrouwen op een goede afloop.
    De atlete had er nogal moed op; een podiumplaats lag binnen haar mogelijkheden.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Persoonlijke instellingen