moed
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- moed
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | moed | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
moed m
- dapperheid, lef, branie.
- De moed zakte in zijn schoenen toen hij die wankele brug zag.
- inborst, stemming, gemoed.
- In goede moed ging hij uit fietsen.
- vertrouwen op een goede afloop.
- De atlete had er nogal moed op; een podiumplaats lag binnen haar mogelijkheden.
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. dapperheid, lef, branie
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.