kaart
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- kaart
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | kaart | kaarten |
| verkleinwoord | kaartje | kaartjes |
Zelfstandig naamwoord
- een schematische afbeelding van een ruimtelijk gebied op een plat vlak in een verkleinde schaal
- een bedrukt kartonnen vel dat met de post verstuurd kan worden
- Ik stuur je een kaartje.
- (kaartspel) een kartonnen of plastic vel uit een kaartspel, om mee te spelen
Synoniemen
- [1] plattegrond
- [2] postkaart, ansichtkaart
- [3] speelkaart
Uitdrukkingen en gezegden
- Al zijn geld op één kaart zetten.
- Iets op de kaart zetten.
Anagrammen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
- kaartprojectie, kaartspel, kaartspeler, kaarttruc, kaartverkoop
- kaartenactie, kaartenbak, kaartenblad, kaartenboek, kaartenhouder, kaartenhuis, kaartenkamer, kaartenmaker, kaartentafel, kaartentafellamp, kaartenwerk
Vertalingen
1. een schematische afbeelding van een ruimtelijk gebied op een plat vlak in een verkleinde schaal
2. een bedrukt kartonnen vel dat met de post verstuurd kan worden
3. een kartonnen of plastic vel uit een kaartspel, om mee te spelen
en te delen vertalingen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| kaarten |
kaart