pik

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pik
3 enkelvoud meervoud
naamwoord pik
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

1 & 2 enkelvoud meervoud
naamwoord pik pikken
verkleinwoord pikje pikjes

pik m

  1. (informeel) geslachtsdeel van de man, penis
  2. zeis, houweel
  3. m/o; pek, teer
Synoniemen
Verwante begrippen
Spreekwoorden
  • Ergens de pik op hebben.
  • Pikkende vingers hebben = plakkende vingers door bijvoorbeeld stroop.
Vertalingen
1.

Werkwoord

vervoeging van
pikken

pik

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pikken
    Ik pik.
  2. gebiedende wijs van pikken
    Pik!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pikken
    Pik je?

Meer informatie