stuk
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- stuk
Zelfstandig naamwoord
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | stuk | stukken, [2] stuks |
| verkleinwoord | stukje | stukjes |
stuk o
- gedeelte, onderdeel van een geheel.
- één uit een verzameling
- document, oorkonde.
- vulg (seksueel) aantrekkelijk persoon (man of vrouw)
- geschrift
- toneelstuk
- vrij grote hoeveelheid.
Vertalingen
Bijvoeglijk naamwoord
stuk
- kapot, gebroken.
- defect.