stuk

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stuk

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
naamwoord stuk stukken, [2] stuks
verkleinwoord stukje stukjes

stuk o

  1. gedeelte, onderdeel van een geheel.
  2. één uit een verzameling
  3. document, oorkonde.
  4. vulg (seksueel) aantrekkelijk persoon (man of vrouw)
  5. geschrift
  6. toneelstuk
  7. vrij grote hoeveelheid.
Vertalingen

Bijvoeglijk naamwoord

stuk

  1. kapot, gebroken.
  2. defect.
Persoonlijke instellingen