geschiedenis
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: geschiedenis (hulp, bestand)
- IPA: /ɣəˈsxidəˌnɪs/
Woordafbreking
- ge·schie·de·nis
| [1] | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | geschiedenis | geschiedenissen |
| verkleinwoord | (geschiedenisje) | (geschiedenisjes) |
| [2], [3] | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | geschiedenis | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
geschiedenis v
- een verhaal dat het geheel gebeurtenissen rond een bepaald persoon of entiteit beschrijft.
- De geschiedenis van de zondvloed is niet alleen uit de Bijbel bekend.
- het geheel van gebeurtenissen van het verleden.
- De geschiedenis van deze stad is bijzonder lang.
- de wetenschap die de gebeurtenissen van het verleden beschrijft.
- Hij studeert al enige tijd geschiedenis.
Vertalingen
2. de gebeurtenissen van het verleden
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.