corona

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • co·ro·na
enkelvoud meervoud
naamwoord corona corona's
verkleinwoord coronaatje coronaatjes

Zelfstandig naamwoord

corona v / m

  1. (astronomie) een krans van licht rond de zon te zien tijdens een volledige zonsverduistering
  2. (meteorologie) de krans van licht door de diffractie van de zon of de maan door kleine waterdruppels of ijskristallen van een wolk
    Rond de maan was er een prachtige corona te zien.
  3. (taalkunde) een diakritisch teken boven een foneem
    In het Deens, Noors en Zweeds komt er boven de a een corona voor (å) en wordt gezien als aparte letter, en in het Tsjechisch boven de u (ů).
  4. (mineralogie) een mineraal dat omringd wordt door een ander mineraal.
  5. (natuurkunde) een ontladingsverschijnsel.

Meer informatie


Italiaans

Zelfstandig naamwoord

corona v

  1. kroon


Latijn

Zelfstandig naamwoord

corona v

  1. kroon


Spaans

enkelvoud meervoud
corona coronas

Zelfstandig naamwoord

corona v

  1. kroon

Werkwoord

vervoeging van
coronar

corona

  1. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van coronar
  2. gebiedende wijs (bevestigend) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van coronar