kroon

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kroon
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kroon kronen
verkleinwoord kroontje kroontjes

Zelfstandig naamwoord

kroon v

  1. (adel) hoofddeksel dat door een vorst gedragen wordt
  2. (numismatiek) de munteenheid van o.a. Noorwegen en Zweden
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
kronen

kroon

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kronen
    Ik kroon.
  2. gebiedende wijs van kronen
    Kroon!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kronen
    Kroon je?

Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen