kroon
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- kroon
Woordherkomst en -opbouw
- Van het Latijnse corona.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | kroon | kronen |
| verkleinwoord | kroontje | kroontjes |
Zelfstandig naamwoord
kroon v
- (adel) hoofddeksel dat door een vorst gedragen wordt
- (numismatiek) de munteenheid van o.a. Noorwegen en Zweden
Uitdrukkingen en gezegden
|
Vertalingen
1. hoofddeksel dat door een vorst gedragen wordt
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| kronen |
kroon
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kronen
- Ik kroon.
- gebiedende wijs van kronen
- Kroon!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kronen
- Kroon je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.