leider

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lei·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord leider leiders
verkleinwoord leidertje leidertjes

Zelfstandig naamwoord

leider m

  1. iemand die leidt of bestuurt
    Elke goed samenwerkende groep heeft een leider nodig.
  2. een persoon of ploeg die op de eerste plaats staat in een competitie of wedstrijd
    De leider in de Ronde van Frankrijk verstevigt zijn leiderspositie door nog een etappe te winnen.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen


Duits

Bijwoord

leider

  1. helaas


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /ˈlɛɪðɐ(r)/ (Etsbergs)

Bijwoord

leider

  1. helaas
    «Achter g'm Kriege woort 't Platoeasj, 't Lèmbörgsj Veurlèmbörgs, tözaam g'm Hoeagpruusje es "ennemis" gezeen èn daodórch is 't leider oedgestórve.»
    Na de Tweede Wereldoorlog werd het Platois, het Limburgs van het oude Hertogdom Limburg, samen met het Hoogduits als "ennemis" gezien en daardoor is het jammer genoeg uitgestorven.