begin

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·gin
enkelvoud meervoud
naamwoord begin beginnen [2]
verkleinwoord beginnetje beginnetjes

Zelfstandig naamwoord

begin o

  1. het eerste deel, het op gang komen
  2. (waterstaat) de oudste plekken in een oudlandpolder van waaruit het inpolderingsproces begonnen is
    Als de polder niet herverkaveld is zijn de beginnen vaak nog in het landschap te herkennen.
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
beginnen

begin

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beginnen
    Ik begin.
  2. gebiedende wijs van beginnen
    Begin!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beginnen
    Begin je?


Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudengelse beginnan.
vervoeging
onbepaalde wijs to begin
he/she/it begins
verleden tijd began
voltooid
deelwoord
begun
onvoltooid
deelwoord
beginning
gebiedende wijs begin

Werkwoord

begin

  1. beginnen
Verwante begrippen


Limburgs

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

begin o

  1. (Hooglimburgs) begin
    «In g'm beginnem sjaap Gód d'n hieëmel èn die-n aerj.»
    In den beginne schiep God de hemel en de aarde.
Verbuiging