bakken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| bakken | bakkend |
| gebak | gebakken |
| baksel | |
| bakker | |
Uitspraak
Woordafbreking
- bak·ken
Woordherkomst en -opbouw
- >Middelnederlands baken, backen van Proto-Indo-Europees *bhŏg-.
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| bakken /'bɑ.kə(n)/ |
bakte /'bɑk.tə/ |
gebakken /ɣə.'bɑ.kə(n)/ |
| gemengd | volledig | |
Werkwoord
bakken
- (overgankelijk), (kookkunst) voedsel bij hoge temperatuur in een oven of in een pan met olie verhitten
- Oliebollen bakken hoort echt bij oudejaarsavond.
Uitdrukkingen en gezegden
- Er niets van bakken.
Vertalingen
1. voedsel bij hoge temperatuur in een oven of in een pan met olie verhitten.
Zelfstandig naamwoord
bakken mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord bak
Deens
Woordafbreking
- bak·ken
Zelfstandig naamwoord
bakken, g
- bepaalde vorm nominatief enkelvoud van bakke
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Gemengd werkwoord in het Nederlands
- Werkwoord in het Nederlands
- Niet-samengesteld werkwoord in het Nederlands
- Overgankelijk werkwoord in het Nederlands
- Kookkunst in het Nederlands
- Zelfstandig-naamwoordsvorm in het Nederlands
- Woorden in het Deens
- Zelfstandig-naamwoordsvorm in het Deens