baksel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bak·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord baksel baksels
verkleinwoord bakseltje

Zelfstandig naamwoord

baksel o

  1. datgene wat gebakken is of wordt
    Zij hield haar baksel goed in de gaten door het raampje van de oven.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen