baksel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- bak·sel
Woordherkomst en -opbouw
- Naamwoord van handeling van bakken met het achtervoegsel -sel.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | baksel | baksels |
| verkleinwoord | bakseltje |
Zelfstandig naamwoord
baksel o
- datgene wat gebakken is of wordt
- Zij hield haar baksel goed in de gaten door het raampje van de oven.