zakken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zak·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zakken
zakte
gezakt
zwak -t volledig

Werkwoord

zakken

  1. (ergatief) naar beneden gaan
    Gelukkig zakte het waterpeil voor de dijk door kon breken.
  2. (ergatief) niet slagen voor een examen
    Ik ben weer gezakt voor mijn rijexamen.
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

zakken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord zak