zakken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- zak·ken
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| zakken |
zakte |
gezakt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
zakken
- (ergatief) naar beneden gaan
- Gelukkig zakte het waterpeil voor de dijk door kon breken.
- (ergatief) niet slagen voor een examen
- Ik ben weer gezakt voor mijn rijexamen.
Vertalingen
Zelfstandig naamwoord
zakken mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord zak