bazen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·zen

Zelfstandig naamwoord

bazen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord baas
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bazen
baasde
gebaasd
zwak -d volledig

Werkwoord

bazen

  1. bazig doen, de baas zijn over iemand
    Houd op met bazen en doe gewoon mee.
  2. (verouderd) ijlen
Afgeleide begrippen