bestuurder
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: bestuurder (hulp, bestand)
- IPA: /bəˈstyrdər/
Woordafbreking
- be·stuur·der
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bestuurder | bestuurders |
| verkleinwoord | bestuurdertje | bestuurdertjes |
Zelfstandig naamwoord
bestuurder m
- een persoon die een voertuig of andere machine bestuurt
- De bestuurder verloor de macht over het stuur en raakte van de weg.
- een persoon die een bedrijf of organisatie leiding geeft
- De bestuurder wist niet meer wat hij met de situatie aanmoest.
Synoniemen
Vertalingen
1. een persoon die een voertuig of andere machine bestuurt
|