bestuurder

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·stuur·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bestuurder bestuurders
verkleinwoord bestuurdertje bestuurdertjes

Zelfstandig naamwoord

bestuurder m

  1. een persoon die een voertuig of andere machine bestuurt
    De bestuurder verloor de macht over het stuur en raakte van de weg.
  2. een persoon die een bedrijf of organisatie leiding geeft
    De bestuurder wist niet meer wat hij met de situatie aanmoest.
Synoniemen
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen