aula

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • au·la
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Griekse zelfstandige naamwoord αυλή (aule = hof, hall).
enkelvoud meervoud
naamwoord aula aula's
verkleinwoord aulaatje aulaatjes

Zelfstandig naamwoord

aula v/m

  1. (bouwkunde) een grote ruimte of zaal in een gebouw
  2. (bouwkunde), (verouderd) (historisch) binnenplaats, hof
  3. een grote gehoorzaal van een universiteit
  4. een grote zaal voor bijeenkomsten, voorstellingen enz. in een middelbare school, een museum of eenigerlei andere instelling
    De school was flink gegroeid en het oude aulaatje was daarmee te klein geworden.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • au·la
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Griekse zelfstandige naamwoord αυλή (aule = hof, hall).

Zelfstandig naamwoord

aula m

  1. (bouwkunde) aula
    «Universitetets aula i Oslo gjenåpner etter grundig restaurering.»
    De aula van de universiteit in Oslo heropent na een grondige restauratie.
Verbuiging
m enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   aula     aulaen     aulaer     aulaene  
genitief   aulas     aulaens     aulaers     aulaenes  
Afgeleide begrippen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • au·la
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Griekse zelfstandige naamwoord αυλή (aule = hof, hall).

Zelfstandig naamwoord

aula m

  1. (bouwkunde) aula
Verbuiging
m enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   aula     aulaen     aulaer     aulaene  
genitief                        
m
bijvormen
enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief           aulaar     aulaane  
genitief