aantal
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- aan·tal
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | aantal | aantallen |
| verkleinwoord | (aantalletje) | (aantalletje) |
Zelfstandig naamwoord
aantal o
- een telbare hoeveelheid
- Een aantal mensen was niet gekomen naar het feest.
Verwante begrippen
| Woorden op -tal in het Nederlands | |||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| aantal• tweetal • drietal • viertal • vijftal • zestal • zevental • achttal • negental • tiental • elftal • twaalftal • twintigtal • dertigtal • veertigtal • vijtigtal • zestigtal • zeventigtal • tachtigtal • negentigtal • honderdtal • duizendtal | |||||||||||
Vertalingen
1. een telbare hoeveelheid