tellen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tel·len


stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
tellen
telde
geteld
zwak -d volledig

Werkwoord

tellen

  1. (overgankelijk) aantal bepalen
    Ik tel hoeveel geld ik nog heb.
    Ik tel vijf koeien in de wei.
  2. (inergatief) getallen oplopend opnoemen
    Ik tel langzaam tot 10.
  3. (inergatief) van belang zijn
    Het maatschappelijk belang telt niet meer.
    De overwinning is het enige dat telt.
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

tellen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord tel