zwabber

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwab·ber
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘dweil aan een stok’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1612 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord zwabber zwabbers
verkleinwoord zwabbertje zwabbertjes

Zelfstandig naamwoord

zwabber m

  1. uit draden bestaande schoonmaakhulpmiddel op een steel
    • Een zwabber is een handig hulpmiddel voor een schoonmaker. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
zwabberen

zwabber

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zwabberen
    • Ik zwabber. 
  2. gebiedende wijs van zwabberen
    • Zwabber! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zwabberen
    • Zwabber je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen