zuiden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zui·den
enkelvoud meervoud
naamwoord zuiden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zuiden o

  1. (windstreek) een van de windstreken, die op landkaarten overeenkomt met de onderkant
    • In de vakanties trekken veel Belgen en Nederlanders naar het zuiden. 
     De bevrijding gebeurde niet in één keer. Eerst werd het zuiden van Nederland bevrijd. Dat was in 1944.[1]
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron nieuwsbegrip.nl “75 jaar vrijheid in Nederland” (2-9-2019), CED-groep