zeem

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1] Een zeem.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zeem
Woordherkomst en -opbouw
m en o enkelvoud meervoud
naamwoord zeem zemen
verkleinwoord zeempje zeempjes
o enkelvoud meervoud
naamwoord zeem -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

zeem

  1. m en o een stuk zeemleer waarmee men een glazen ruit droog kan wrijven.
    • Ik zal die zeem even uitwringen. 
  2. o zeemleer, leer gemaakt van gemzenhuid.
    • Zeem heeft heel handige eigenschappen voor huishouders. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
zemen

zeem

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zemen
    • Ik zeem. 
  2. gebiedende wijs van zemen
    • Zeem! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zemen
    • Zeem je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
95 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl


Limburgs

Zelfstandig naamwoord

zeem

  1. (Hooglimburgs) stroop