zäh

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • zäh
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig uit het Middelhoogduits en Oudhoogduits.
stellend vergrotend overtreffend
zäh
zäher
am zähesten
alle verbuigingsvormen

Bijvoeglijk naamwoord

zäh

  1. (van vaste stoffen en voorwerpen) taai
  2. (van vloeistoffen) stroperig, stroef, taai, viskeus
  3. (van personen, dieren en planten) (figuurlijk) belastbaar, robuust, sterk
Schrijfwijzen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
  • [2]: ein zäher Schleim
een taaie fluim
  • [2]: ein zähes Öl
een taaie olie
  • [3]: ein zäher Bursche
een fel mannetje
  • zähe Verhandlungen
  • zäher Teig, Leim, Schlamm, Schleim
  • zähes Fleisch, Harz, Leder, Öl, Pech
Verwante begrippen

Bijwoord

zäh

  1. taai
  2. traag
  3. volhardend
Typische woordcombinaties
  • [1]: zäh fließend
langzaam vloeiend
langzaam rijdend
  • [1]: zäh wie Leder
zo taai als leer
  • [2]: zäh durchhalten
onverdroten volharden